
Jurisprudentie
AX8588
Datum uitspraak2006-02-17
Datum gepubliceerd2006-07-04
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/4680
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-07-04
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/4680
Statusgepubliceerd
Indicatie
Essentie: In artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet is bepaald dat een aanvraag om een bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.
Dit brengt mee dat verweerder bij het primaire besluit terecht ervan is uitgegaan dat zich hier het in de artikelen 5.10.1 en 5.10.4 van de bij de Legesverordening 2004 behorende tarieventabel (hierna: de tarieventabel) bedoelde belastbare feit voordoet.
Uitspraak
RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/4680
Uitspraakdatum: 17 februari 2006
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [te P], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 31 mei 2005 op het bezwaar van eiser tegen de van hem gevorderde leges in verband met de aanvraag van een bouwvergunning.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2006.
Eiser is daar in persoon verschenen, vergezeld door zijn dochter [....]. Namens verweerder is verschenen
R. van den Ouweelen.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
Bij besluit van 4 april 2005 met bijlage, aan eiser verzonden op 11 april 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [te P] (hierna: het college) geweigerd aan eiser een reguliere bouwvergunning en een vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het gedeeltelijk vernieuwen van een schuur op het perceel [adres] te [woonplaats]. Onder de ondertekening van het besluit staat vermeld: ‘Leges € 854,13’. Dit bedrag is blijkens de bijlage opgebouwd uit € 104,13 ter zake van ‘Weigeren reguliere bouwvergunning 5.4.3’ en € 750 ter zake van ‘Vrijstellings-procedure artikel 11 of 19 1e lid’.
In het begeleidend schrijven bij het besluit is voor zover hier van belang vermeld: “U bent voor bijgevoegd besluit € 854,13 aan leges verschuldigd. Deze leges zijn vastgesteld op basis van de legesverordening [P] 2004 en nader gespecificeerd in de bijlage. Te zijner tijd zult u hiervoor een aparte nota ontvangen.”
Bij brief van 29 april 2005 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen de hoogte van de leges. Eiser acht het in rekening brengen van leges voor de vrijstellingsprocedure onjuist, nu hij niet om vrijstelling heeft verzocht.
Bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet een aanvraag om verlening van een bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.
Bij besluit van 30 juni 2005 is van eiser in verband met de aanvraag van de vergunning voor het gedeeltelijk vernieuwen van een schuur een legesbedrag van € 854,13 gevorderd. De kennisgeving van dit besluit draagt het opschrift ’aanslagbiljet’. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Legesverordening 2004, gelezen in samenhang met artikel 233a, tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet neemt de rechtbank aan dat dit opschrift op een misverstand berust.
Het ‘aanslagbiljet’ is kennelijk de in artikel 6 van de Legesverordening 2004 bedoelde gedagtekende schriftelijke kennisgeving.
Naar het oordeel van de rechtbank dient niet het besluit van 4 april 2005, maar de gedagtekende schriftelijke kennisgeving van 30 juni 2005 te worden aangemerkt als het primaire besluit waartegen het bezwaar van eiser is gericht. Het bezwaarschrift van eiser is derhalve te vroeg, immers voor het begin van de bezwaartermijn, ingediend.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding met toepassing van artikel 6:10 van de Awb te bepalen, dat niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege blijft, aangezien eiser ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift op grond van het besluit van 4 april 2005, met bijlage, en het begeleidend schrijven van 11 april 2005 redelijkerwijs kon menen dat het door hem bestreden primaire besluit reeds tot stand was gekomen.
In geschil is of van eiser terecht een bedrag aan leges van € 854,13 is gevorderd.
Eiser stelt zich in beroep wederom op het standpunt dat hem ten onrechte leges voor een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 11 of 19, eerste lid, van de WRO in rekening zijn gebracht, nu hij niet om een vrijstelling heeft verzocht.
De rechtbank kan eiser niet in dit standpunt volgen. Daarbij neemt zij het volgende in aanmerking.
In artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet is bepaald dat een aanvraag om een bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, wordt geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.
In het eerdergenoemde besluit van 4 april 2005 ligt besloten dat naar het oordeel van het college inwilliging van eisers aanvraag van een bouwvergunning niet mogelijk is zonder een op de voet van artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling van het geldende bestemmings-plan. Nu het beroep van eiser, evenals diens bezwaar, niet het besluit van 4 april 2005, doch de schriftelijke kennisgeving van 30 juni 2005 betreft, dient de rechtbank van de juistheid van het zo-even genoemde oordeel van het college uit te gaan. Dit brengt mee dat verweerder bij het primaire besluit terecht ervan is uitgegaan dat zich hier het in de artikelen 5.10.1 en 5.10.4 van de bij de Legesverordening 2004 behorende tarieventabel (hierna: de tarieventabel) bedoelde belastbare feit voordoet. Op grond van deze artikelen is voor een verzoek om vrijstelling, dat in combinatie met een bouwaanvraag is ingediend, een tarief van € 750 verschuldigd.
Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd kan aan het voorgaande niet afdoen. Zijn standpunt dat legesheffing niet mogelijk is, omdat de Legesverordening 2004 en de tarieventabel geen bepaling bevatten op grond waarvan ter zake van de weigering van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 WRO leges kunnen worden geheven, faalt omdat, naar volgt uit de omschrijving van de aan legesheffing onderworpen diensten in de tarieventabel, het belastbare feit voor de legesheffing niet de beslissing op de aanvraag, doch het in behandeling nemen van de aanvraag is.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 17 februari 2006 door mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Strik, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:

